|
Samenmgestelde zinnen |
|
| In de
vorige tests en oefeningen gebruikten we enkelvoudige zinnen. Enkelvoudige zinnen hebben slechts één persoonsvorm. De persoonsvorm is de vorm die bij de zogeheten "persoon" hoort, dat wil zeggen, bij de eerste, tweede, of derde persoon enkelvoud of meervoud. Bijvoorbeeld: Hij betaalt. Ik heb betaald. In elk van deze twee zinnetjes staat één persoonsvorm, namelijk betaalt en heb, die respectievelijk behoren bij Hij en Ik. In samengestelde zinnen komt meer dan een persoonsvorm voor. Bijvoorbeeld: Jan betaalt, maar Piet heeft al betaald. In deze ene zin staan twee persoonsvormen, namelijk betaalt en heeft, die repectievelijk behoren bij Jan en bij Piet. Het voegwoord maar voegt beide zinnen aan elkaar. Samengestelde zinnen ontleden we naar de enkelvoudige zinnen. We halen ze dus uit elkaar en maken er twee of meer enkelvoudige zinnen van, elk met een eigen persoonsvorm. Daarbij kunnen we:
Voorbeelden: a. Jan betaalt, maar Piet heeft al betaald.Zin 1: Jan betaalt (geen verandering) (betaalt is de persoonsvorm, behorende bij Jan) zin 2: Piet heeft al betaald (voegwoord maar weggelaten) (heeft is de persoonsvorm, behorende bij Piet) In beide zinnen laten we echter de tijd intact! In zin 1 is betaalt onvoltooid tegenwoordige tijd (Jan is derde persoon enkelvoud) en in zin 2 is betaald voltooide tijd (hulpwerkwoord: heeft)
b. Hij bekent nu pas, dat hij de
situatie verkeerd beoordeeld heeft.
|
|
| Zie voor de test, met toelichting bij alle antwoorden: Test 6b | |
![]() |