Kortom:
 
 

Let op de tijd waarin het dt-werkwoord staat!

In de onvoltooid tegenwoordige tijd  schrijf je alleen de stam in de eerste persoon enkelvoud en in het geval dat je of jij achter het werkwoord staat en je of jij tegelijkertijd onderwerp is. In de andere gevallen schrijf je in het enkelvoud stam + t.

Voorbeeld: "De rechter beëdigt de president."
"De rechter" is derde persoon enkelvoud, daarom een t achter de stam. Dus: beëdig-t.
 

In de voltooide tijd geldt de kofschipregel. Die luidt: Als de stam eindigt op t, k, f, s, ch of p, volgt een t achter de stam. Als de stam eindigt op een andere letter volgt een d. Er is sprake van een voltooide tijd, als er een hulpwerkwoord in de zin aanwezig is.

Voorbeeld: "De president is door de rechter beëdigd."
In deze zin staat een hulpwerkwoord, namelijk: is. Dus is er sprake van een voltooide tijd. De laatste letter van de stam is een g. De g staat niet in het kofschip, dus een d achter de stam: beëdig-d.

 

Voor meer voorbeelden en details
zie de grammaticaregels of de B-tests

 

 

Het bovenstaande wordt onder de volgende knoppen nog eens uitgelegd.
De aanpak blijft hetzelfde, de formulering is alleen ietsje anders.

Nog eens

Stappenplan