7. Onvoltooid Tegenwoordige Tijd, Onvoltooid Verleden Tijd of Voltooide Tijd?
Hoe weten we nu met welke van deze drie
werkwoordstijden we te maken hebben?
Oefening baart natuurlijk kunst. Maar ook door het toepassen van de regels komen
we daarachter.
Het makkelijkst te herkennen is de Onvoltooid Verleden Tijd.
Die eindigt bij de regelmatige
werkwoorden altijd op de(n) of te(n).
Voorbeeld: Hij bedoel-de het goed. Het dt-werkwoord eindigt op -de,
dus het is een onvoltooid verleden tijd.
Voorbeeld: Zij smeek-ten om hun leven. Het dt-werkwoord eindigt op
-ten, dus het is een onvoltooid verleden tijd.
Blijft over het verschil tussen de Onvoltooid
Tegenwoordige Tijd en een
Voltooide Tijd.
Het belangrijkste verschil is: alleen in een Voltooide Tijd
staat een hulpwerkwoord.
Zien we daarom in de zin een hulpwerkwoord, dan is het dt-werkwoord een voltooid
deelwoord en niet een onvoltooid tegenwoordige tijd (of onvoltooid verleden
tijd).
Voorbeeld: Hij heeft het goed bedoeld. Het dt-werkwoord is: bedoeld.
In de zin staat een hulpwerkwoord,
namelijk heeft. Het dt-werkwoord is dus niet een
onvoltooid
tegenwoordige tijd maar een voltooid deelwoord. (En met een d achter de
stam omdat de l van bedoel niet in `t k f s ch p staat.)
Voorbeeld: Hij bedoelt het goed. Het dt-werkwoord is: bedoelt. Dit eindigt niet op -de(n) of
-te(n). Dus
bedoelt is alvast geen onvoltooid verleden tijd.
Er staat ook geen hulpwerkwoord in deze zin. Het dt-werkwoord kan dus
niet een voltooid deelwoord zijn. Het dt-werkwoord is dus een onvoltooid tegenwoordige
tijd
(En met een t achter de stam, omdat het onderwerp Hij derde
persoon enkelvoud is)
Weten we eenmaal met welke werkwoordstijd we te maken hebben, dan kunnen we met
behulp van de regels 4 t/m 7
vervolgens bepalen of er een d dan wel een t moet worden ingezet.
![]() |