6.6 Hulpwerkwoorden: hebben, zijn, worden

Een voltooid deelwoord vereist een of meer hulpwerkwoorden.

Dit kan zijn een hulpwerkwoord van tijd
of een hulpwerkwoord van de lijdende vorm
(of soms een ander hulpwerkwoord).

De hulpwerkwoorden van tijd zijn: hebben en zijn.
Deze hulpwerkwoorden treffen we aan bij de voltooide tijd van de zogeheten bedrijvende vorm van een werkwoord.
(voorbeelden: ik heb getekend, ik ben getrouwd)

De hulpwerkwoorden van de lijdende vorm zijn: worden en zijn.
Deze hulpwerkwoorden treffen we aan bij de zogeheten lijdende vorm van een werkwoord in
- de onvoltooid tegenwoordige tijd (voorbeeld: ik word getekend)
- de onvoltooid verleden tijd (voorbeeld: ik was getekend)
- een voltooide tijd (voorbeeld: ik ben getekend (geworden))

(Een enkele keer kunnen ook andere werkwoorden dienen als hulpwerkwoord,
bijvoorbeeld vormen van gaan of staan)

Maar,
voor het dt-probleem is het onderscheid tussen al deze vormen en tijden niet van belang.
We dienen uitsluitend te letten op de aanwezigheid van enig hulpwerkwoord.

Is er een hulpwerkwoord aanwezig, dan is het dt-werkwoord een voltooid deelwoord!
Onder 6.7 worden alle mogelijke vormen van de hulpwerkwoorden gepreciseerd.