4.4 Wel een t in 2e en 3e persoon enkelvoud bij een stam op een d

Dit is geheel in overeenstemming met regel 4.2  (stam+t in 2e en 3e persoon enkelvoud)

Bijvoorbeeld: Hij brand-t een cd.
Het hele werkwoord is: branden
De stam is: brand (met een d op het eind)
Bij de1e persoon schrijven we alleen de stam, dus brand (ik brand een cd)
Bij 2e en 3e persoon schrijven we stam+t, dus brandt (Jij, hij brandt een cd)

Weliswaar is de uitspraak van de stam (brand) gelijk aan die van stam+t (brand-t). Maar de schrijfwijze verschilt.
Volgens de regels schrijven we in de tweede en derde persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd altijd een t achter de stam.
Ook als de stam op een d eindigt. Dus: brandt.