1. Regelmatige werkwoorden
We beperken ons tot de regelmatige werkwoorden, omdat daar de regels voor het
kiezen van d of t het duidelijkst zijn uit te leggen.
Begrijpt u eenmaal het idee, dan kunt u die regels ook met succes toepassen in
veel situaties van de onregelmatige werkwoorden.
Wat zijn regelmatige werkwoorden?
Regelmatige werkwoorden zijn werkwoorden die in de onvoltooid verleden tijd
eindigen op de(n) of te(n)
en waarvan het voltooid deelwoord eindigt op d of
t.
Voorbeelden:
De onvoltooid verleden tijd van tekenen is:
teken-de. Het voltooid deelwoord is:
ge-teken-d. (De ovt eindigt op -de en het voltooid deelwoord
op een d.)
De onvoltooid verleden tijd van werken is:
werk-te. Het voltooid deelwoord is:
ge-werk-t. (De ovt eindigt op -te en het voltooid
deelwoord op een t)
Wat zijn onregelmatige werkwoorden?
Onregelmatige werkwoorden -
eindigen in de onvoltooid verleden tijd niet
altijd op de(n) of te(n).
en/of het voltooid deelwoord eindigt niet altijd op d of t
en/of hebben niet altijd dezelfde werkwoordsstam.
Voorbeelden:
De onvoltooid verleden tijd van lopen is:
liep. Dus niet dezelfde werkwoordsstam als in de tegenwoordige tijd (loop)
en ook geen de(n) of te(n) aan het eind.
En het voltooid deelwoord is: gelopen. Dus ook geen d of t
aan het eind.
De onvoltooid verleden tijd van bakken is:
bak-te. Wel dezelfde werkwoordsstam als in de ott (bak) en ook
eindigend op -te.
Maar het voltooid deelwoord is: ge-bak-ken. Dit eindigt weer niet op d
of t. Dus onregelmatig.
![]() |