|
1.
2.
3.
3.1
3.2
3.3
3.4
4.
4.1
4.2
4.3
4.4
4.5
5.
5.1
5.2
6.
6.1
6.2
6.3
6.4
6.5
6.6
6.7
7. |
Regelmatige werkwoorden
Hele
werkwoord
Stam
Stam: hele werkwoord minus -en
Geen dubbele
letters aan het einde van een woord of lettergreep (rennen > renn
> ren)
Lange
klinkers blijven lang (maken > mak > maak)
Geen v of z aan het einde
van een woord of lettergreep (leven > leev > leef)
Onvoltooid Tegenwoordige Tijd
Bedrijvende
vorm
Stam of stam+t (ik
teken - jij/hij tekent)
Geen dubbele t in 2e en
3e persoon enkelvoud bij een stam op een t (boeten > boett >
boet)
Wel een t in 2e en 3e persoon enkelvoud bij een stam op een d (branden
> brand > brandt)
Geen t achter de stam als je achter het werkwoord staat en
je onderwerp is (Wandel je mee?)
Onvoltooid Verleden Tijd
īt kofschip: te(n) of de(n) achter de stam (werkte,
wandelde)
v/z-woorden: geen te(n), maar de(n) achter de stam (leven >leefde,
reizen> reisde)
Voltooide Tijd
Voltooid deelwoord en hulpwerkwoord
īt kofschip: t of d achter de stam (gewerkt, gewandeld)
Geen dubbele letters aan het eind van een woord (gebrandd
> gebrand, gewitt > gewit)
v/z-woorden: geen t, maar d achter de stam (geleefd, gereisd)
Geen ge- voor de stam bij de voorvoegsels be-, ge-, her-, er-, ont-,
ver-. (geherkend > herkend)
Hulpwerkwoorden: hebben, zijn, worden
Alle vormen van de hulpwerkwoorden
OTT, OVT of
Voltooide Tijd? |
|